Vrije Bewegingsontwikkeling
Het Emmi Pikler Instituut in Hongarije heeft in de afgelopen vijftig jaar veel ervaring opgedaan in het onderzoek naar de groei en ontwikkeling van baby's. Hier zijn belangrijke ontdekkingen uit voort gekomen die nu steeds vaker door wetenschappers bevestigd worden.
Het onderzoek van Emmi Pikler toonde aan dat een baby niet alleen actief samenzijn met zijn moeder nodig heeft, maar ook net zo veel tijd en ruimte waarin hij met zichzelf bezig kan zijn. De gegevens laten zien hoe belangrijk en zinvol spontane activiteiten zijn, welke functie ze vervullen en aan welke voorwaarden de omgeving moet voldoen om vrije activiteit voor de baby mogelijk te maken. Bovendien wordt duidelijk hoe de senso-motorische ontwikkeling van een baby samenhangt met wat hij dagelijks aan nieuwe indrukken opdoet en zich eigen maakt.
De conclusies van het onderzoek tonen onomstotelijk aan hoe groot het belang van vrijheid van beweging en activiteit is op de persoonlijkheidsvorming van de baby.
Pikler heeft precies omschreven wat de juiste voorwaarden zijn voor een vrije bewegingsontwikkeling en hoe die bij kinderen die deze ruimte krijgen over het algemeen verloopt.
De Ruimte
Tijdens het vrije spel beschikt de baby over een ruimte die aangepast is aan zijn behoefte aan veiligheid en behoefte tot ontdekken. Hij heeft daar de beschikking over verschillende voorwerpen die qua vorm, grootte, kleur, symbolische waarde enz., met zorg voor hem zijn uitgekozen en die afhankelijk van zijn leeftijd en zijn specifieke belangstelling gevarieerd worden. Ook klimmaterialen kunnen hier deel van uitmaken.
In deze ruimte heeft het kind de mogelijkheid zich helemaal vrij naar eigen interesse en behoefte te bewegen en bezig te zijn, zonder dat een volwassene ingrijpt om hem aan te moedigen of om hem een andere bezigheid voor te stellen dan die hij zelf heeft uitgekozen.
Het kind speelt alleen, maar wordt niet alleen gelaten: de moeder of andere volwassene is in de buurt en tussen hen bestaat een band op afstand; ze hebben af en toe oogcontact of wisselen woordjes of geluiden uit. De volwassene houdt een bepaalde afstand en laat het kind vrij in zijn omgeving.
Het kind wordt gekleed in kleding die hem niet in zijn bewegingsvrijheid beperkt en wordt te spelen gelegd op een niet al te zachte ondergrond.
De Ontwikkeling van de Grove Motoriek
In Lóczy werd bij 722 kinderen bijgehouden hoe hun bewegingsontwikkeling verliep, van het moment waarop ze voor het eerst op hun zij draaiden tot hoe en wanneer ze voor het eerst los gingen lopen. Het lukte alle baby's uit zichzelf vanuit de rugligging tot staan en lopen te komen; geen enkel kind werd daarbij door een volwassene geholpen of aangezet.
Een kind heeft volwassenen niet nodig om te leren kruipen, zich op te richten, te gaan zitten of te leren lopen. Hij slaagt daar zelf in.
Om dat te bereiken gebruikt de baby naast de posities die standaard in diverse ontwikkelingstabellen beschreven staan (liggen op de zij - op de rug - op de buik - en gaan staan) een groot aantal nog niet beschreven posities en bewegingen. Emmi Pikler noemde dit overgangsposities. Hieronder vallen de halfzittende houding, met daaraan voorafgaand de zijwaartse elleboogsteun, het langdurig spelen op de zij en de kniestand. Al deze houdingen worden zelden beschreven en komen toch heel veel voor als overgangen tussen de horizontale en de verticale posities.
De overgangsposities komen voor bij alle kinderen die de mogelijkheid krijgen zich vrij te bewegen, en bijna altijd in dezelfde volgorde.
Deze posities ontstaan niet toevallig. Ze hebben een oefenfunctie. Een baby gebruikt deze posities om harmonisch en stapsgewijs al zijn spieren te oefenen en voor te bereiden op de volgende ontwikkelingsfase.
Als we al deze details en de verschillende houdingen gaan waarnemen begrijpen we het belang van deze bewegingsoefeningen voor de baby en wat een uitdaging ze voor hem betekenen. Als het kind deze overgangsposities ontdekt en oefent, wordt hij ieder deel van zijn lichaam gewaar en leert zo zijn lichaam zelfstandig te bewegen.
Omdat de baby in deze tijd actief en zelfstandig zijn zelfgestelde taken oplost en zijn capaciteit voortdurend verder oefent, krijgt hij tegelijkertijd een steeds bewuster besef van zijn eigen lichaam.
Dit is de basis voor de ontwikkeling van eigenwaarde en innerlijke kracht. Daartoe moet de baby zich vrij kunnen bewegen zonder tussenkomst van een volwassene.
Positiewisselingen en hun betekenis
Wat verbazingwekkend duidelijk wordt bij het waarnemen van kinderen die zich vrij kunnen bewegen is hoe vaak ze van houding veranderen en hoe kort ze in dezelfde houding blijven. De frequentie van positiewisselingen - van de rug op de zij - van de zij op de rug - van de zij op de buik - dan in zijwaartse elleboogsteun - in halfzittende positie - in kruiphouding - in kniestand - enz., neemt snel toe tot de negende maand. Het is heel gewoon dat een kind binnen 30 minuten wel 45 keer van houding wisselt.
Dit voortdurend van houding veranderen toont aan hoe sterk de aangeboren bewegingsdrang bij elk kind is en maakt duidelijk waarom kinderen moeite hebben met langdurig stilzitten in wip- of autostoeltjes, zeker als ze deze vrijheid van bewegen een keer geproefd hebben.
Wanneer een baby de tijd krijgt voor vrije activiteiten schijnt hij zelf in staat te zijn om het tempo van zijn activiteit te regelen en om rustig van de ene naar de andere activiteit over te gaan. Daarbij blijft hij steeds geïnteresseerd en 'regelt' met behulp van grote bewegingen momenten van ontspanning die hij nodig heeft om even uit te rusten en om zijn activiteiten weer op te kunnen nemen. Hij doet dat zolang hij niet moe of hongerig is, of afgeleid wordt door andere behoeften.
De Fijne Motoriek
Activiteiten met de handen zijn voor kinderen ook een onuitputtelijke bron van interesse. Met behulp van hun handen komen ze in contact met de dingen om hen heen.
Een kind 'ontdekt' zijn handen rond de tiende week en kan dan een paar maanden doorbrengen met het spelen met zijn handen - uitvoerig bekijken, betasten, aanraken, ronddraaien, proeven.
Vanaf ongeveer de derde maand probeert hij voorwerpen vast te pakken. Van de vierde tot de zesde maand gebruikt hij hoofdzakelijk één voorwerp, de activiteit met de handen lijkt dan belangrijker dan het voorwerp zelf.
Vanaf de zesde maand groeit zijn interesse in de mogelijkheden die een voorwerp biedt: ermee schuiven, schudden, op de grond of tegen elkaar slaan, het laten vallen, oppakken, ergens in doen.
Aan het eind van het eerste jaar interesseert het kind zich ook voor dingen die het niet in de hand houdt. Het gaat niet langer om alleen het vast houden maar om wat hij ermee kan doen.
Bovendien interesseert de baby zich nu voor twee dingen tegelijk en gaat hij onderzoeken hoe hij die twee met elkaar in verband kan brengen.
Na het eerste jaar ontwikkelt deze fijne motoriek van de handen zich steeds verder, wat zichtbaar wordt in het spel van het kind.
Het onderzoek dat in Lóczy is gedaan rond de ontwikkeling van de fijne motoriek laat belangrijke conclusies zien:
De intense aandacht die een baby bij het omgaan met voorwerpen ontplooit, de emotie die dat bij hem teweeg brengt, bewijst niet alleen hoe intensief de relatie tussen baby en voorwerp is en hoe belangrijk zijn inzet is, maar ook dat er zich een relatie tussen beide ontwikkelt die steeds rijker en belangrijker wordt. De uitdrukking van de baby bij het spelen laat zien dat de relatie met het voorwerp gedachten oproept; dat deze gedachten hun wortels hebben in het oneindige veelzijdige en verfijnde spel met de handen en vandaar uit geleidelijk deel uit gaan maken van de psyche van het kind.
Tegelijkertijd wordt het spel met de handen voor de baby zowel een uitdrukkingsmiddel voor zijn gevoelens als ook een proeftuin voor zijn emotionele leven. Handbewegingen en gemoedsbewegingen stimuleren elkaar voortdurend, waardoor de ideeënwereld van het kind zich gaat ontwikkelen.
Al deze activiteiten met de handen lijken de functie van een spreektaal vóór het eigenlijke spreken te vervullen, vergelijkbaar met het denken van het kind op deze leeftijd, het lichamelijke denken.